de Sandra Blog

on work life balance

Archief voor fun

Serenade

Vandaag is het vaderdag. Daar hoort een serenade bij. Onder zijn raam gitaar spelen, zwoele zomeravond en zingen maar. Gehurkt, op één knie zit je, op de andere knie hou je de gitaar en met je roodgelakte nageltjes, snaren maar. Roos in je mond, tussen je tanden door zing je dat meest bevallige liedje. Een heuse serenade. Geen te strak rokje aan, want dan wordt die pose uiterst moeilijk en zing je niet meer lekker uit volle borst(en). En dat moet bij een serenade. De hele straat moet je kunnen horen en kunnen horen dat daar een geweldige man bezongen wordt. Ik zing een liedje voor mijn hartje en dat soort teksten. Je verzint ze maar, alles is goed op vaderdag want vaders zijn gauw tevreden.

Waar zou ik nou een liedje over zingen? Tja, het is natuurlijk geen partnerdag, want dan zou het een heel ander liedje worden. Nee, het gaat over vaderdag. Mijn man als vader. Het leukste aan hem als vader?

Dat hij zich laat kennen. Mijn kinderen kennen hem van haver tot gort. Ze weten precies wie hij is en dat vind ik leuk. Voor hun band, maar vooral ook voor de kinderen.

Leuk II is dat hij ze leert om vragen te stellen en te beantwoorden. Ze leren van hem de wereld kennen en begrijpen door het stellen van vragen. Bij ons thuis regent het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat vragen en antwoorden. U verzint het, zij weten het. En ik sinds kort dus ook :-)

Sandra Kruijt

‘Iedere man die over de A4 rijdt, doet het’

… dat dacht ik dus terwijl ik op de A4 langs een leevensgroot bord, bijna net zo groot als een vliegtuig, reed. Op dat bord een paar mooie vrouwenbenen en zwarte stiletto’s. Stond nog iets roods bij, maar ik weet niet meer wat. Zullen de teennagels wel geweest zijn. Need I say more? En de makkelijke tekst zoveel nullen, zoveel negens, 1-2 -3. Het woord BEL stond er bij, maar was eigenlijk overbodig. Daar had de drukker inkt op kunnen besparen in deze tijden van crisis.

Daar had ik dus de p. over in en ik reed verder met beide handen aan het stuur en een boos gezicht. Gelukkig had ik mijn zonnebril op, dus niemand zag mijn zwarte pest.

Tja, u kent mij al, dus het is geen verrassing: ik wil ook zo’n bord. Niet om dan te gaan bellen of zo, maar ik vind het gewoon flauw dat zij wel zo’n bord hebben en wij, van de vrouwenkant, niet.

Gelukkig zag ik ook een ander bord. Er stond: Geert wil naakt. Ok. Was dit mijn bord? Nou daar hoefde ik niet heel lang over na te denken. Dit vond ik geen goed bord. Want, ja, om naar Geert naakt te kijken? Ik kan de vraag wel bedenken, maar ben niet heel benieuwd of hij daar beneden ook van die strak achterovergekamde blonde haren heeft. Dat was niet mijn bord.  

Kort daarop kwam ik het bord tegen: Femke wilde ook naakt. Dus waren het gewoon weer nepborden geweest. Niets voor de vrouw die ook een bord wil.

Maar goed, mijn gedachten gingen weer terug naar dat eerste bord. Alle mannen die langs de A4 rijden, doen het natuurlijk. Die mevrouw van dat bord opbellen. Het bord is zo groot, dat het volkomen logisch en gewoon lijkt om dan even te bellen.

Ze denken er natuurlijk niet bij na hoe het nou komt dat het bord zo groot is. Ik wel: dat komt natuurlijk door de bijziende of verziende – hoe zit het ook alweer, in ieder geval niet helderziende – ambtenaar van de gemeente. Hij wilde natuurlijk wel toestemming wilde verlenen voor zo’n bord met zo’n tekst, maar dan moest hij het ook makkelijk kunnen lezen. Dus groot en anders niet. Anders weigerde hij zijn handtekening gewoon te zetten. Punt uit.

Zo had natuurlijk deze ambtenaar van de gemeente Leiden of Leiderdorp of waar bord ook moge staan klare taal gesproken. Misschien was het niet eens één ambtenaar geweest die over zo’n belangrijk bord gaan, maar  zelfs een commissie van ambtenaren uit verschillende gemeenten, als het om een grensoverschrijdend bord ging of nog belangrijker: de burgemeester in persoon. Het belang van het bord kon zelfs zo ver gaan dat het een provinciale aangelegenheid was en dan kwam de commissaris van de koningin eraan te pas om die handtekening voor toestemming te verlenen. De minister van sex kan het niet geweest zijn, want die bestaat niet. Dus hoger dan de commissaris van de koningin zal het niet geweest zijn, zo bedacht ik mij en de zwarte p. was al wat naar de achterkant verdreven met dit hoogwaardig gedachtenspel. 

Maar in ieder geval: wie die handtekening ook gezet heeft, het bord werd dus bijna zo lang als de A4 zelf. Gelukkig ook weer niet zo lang dat je een uur gereden had voor je het hele telefoonnummer had gelezen. Dan zat je natuurlijk al weer op je zakelijke afspraak en had je niet eens meer tijd om te bellen naar die mevrouw met haar mooie beentjes en haar rode teentjes.

Ok. U weet het al, ik wil ook zo’n bord. Nog even een onderlinge afspraak voor ik vervolg: ik vraag u niet of u de A4-mevrouw heeft gebeld. Uit discretie, ieder zijn eigen beslissingen. Dus vraagt u ook niet aan mij of ik de toekomstige A4-man van het bord met zijn mooie benen en – bij voorkeur – zonder rode tenen heb gebeld? Wij spreken gewoon af, het is voor u en mij een vraag en voor de ander een weet.

En dan nu de hamvraag: waarom wil ik nou ook zo’n bord? U denkt natuurlijk dat vrouwen toch niet zouden bellen. Want dat is het antwoord dat mannen (graag) namens vrouwen geven. Ik zou zeggen voor uw gemoedsrust en uw nachtrust: slaap lekker, straks komt Klaas Vaak nog even om wat zand in je ogen te strooien. Sweet dreams.

Nou, ik wil het bord om alle mannen kennis te laten maken met dat onrustige gevoel. Dat knagende gevoel dat opkruipt als je het bord ziet: zou mijn partner gebeld hebben? Of belt iedere man gewoon ieder A4-momentje? Wat vind ik daarvan? Is dat gewoon? Ben ik raar? Of vind iedereen dit gewoon en ben ik de enige die raar is? Ben ik een goede partner? Wat is een goede partner?

Het zou niet eens slecht zijn als iedere man zich die vragen met enige regelmaat stelde. De A4 is een mooie lange rechte weg voor zo’n bezinningsmomentje. Nu het bijpassende bord nog. Hopelijk zit er al een vrouw aan de top bij de gemeente of bij de provincie om die grote handtekening voor dat grote bord te zetten.

Sandra Kruijt

Kabouter

Ik zag een leuk kaboutertje fietsen. Hij had een baardje en bolle wangen. Een rond, bol, bijna kaal hoofdje. Je kon het goed zien, want hij had zijn puntmuts niet op. Die had hij vast thuis gelaten. Het zonnetje scheen lekker en scheen dus ook lekker op zijn hoofd. Dat is een namelijk fijn gevoel en daarom had hij zijn puntmuts zeker thuis gelaten.

Hij fietste voorbij met zijn dikke buikje daar op de fiets. Hij zat parmantig rechtop, hield zijn stuur goed met beide handen vast, zoals hij het geleerd had. Zijn kabouterbillen hingen een beetje over het zadel heen. Bolle kabouterwangen, een bol baardje, bolle beentjes en bolle billen. Alles bolletjes zoals het hoort bij een kaboutertje.

Ik stond voor het stoplicht te wachten en hij stak over vlak voor me. Daarom had ik ook alle tijd om goed naar hem te kijken. Hij begon aan de rechterkant van de straat over te steken en reed voor mij langs helemaal naar de linker kant van de straat. En ik reed niet over hem heen, want ik stond keurig stil. Ik was namelijk op slag rustig geworden terwijl ik naar hem keek met zijn mosbruine kabouteroutfit.

Kort daarvoor was ik nog met honderdzoveel uit de drukke stad in het westen aan komen scheuren, oerendhard, maar voor dat stoplicht met deze kabouter in het vizier werd ik op slag rustig. Hfoeh. Wat een haast hebben we toch altijd in het westen van het grote land, dacht ik. Deze kabouter in het oosten gelukkig niet. Die zat tevreden op zijn fiets met zijn kabouterbaard, zijn kabouterbeentjes, zijn kabouterbuikje en zijn rechte kabouterruggetje. Alles bolletjes aan bij dit bolle kaboutertje.

Alles aan dit kaboutertje ademde rust uit. Zelfs van zijn kleren werd je rustig. Die had hij natuurlijk gekocht in de winkel waar je heen gaat om ‘een broek’ of ‘een trui’ te kopen. Niets van dat gedoe in zo’n winkel met de laatste mode en keuze uit honderd in duizend verschillende kleuren. Om gek van te worden. Nee, gewoon bij de mevrouw van de toonbank zeggen wat je wilt. “Goedemorgen, hebt u voor mij een broek?”, die pakt zij dan en jij geeft je kaboutercentjes. Dan ben jij weer klaar. Jij hebt je broek. Fijn om te zijn, daar in de winkel waar ze maar een kleur verkopen en al jaren: mosbruin of mosgroen, het is maar hoe je het noemt.

Zoals een goede kabouter betaamt, had hij de mens blij gemaakt. Ik was op slag blij en rustig geworden van hem en ik had geen haast meer. En hij? Hij fietste voorbij. Ik wilde nog naar hem roepen: ‘hee joh, je hebt me blij gemaakt’. Maar dan zou ik de kabouterrust van dit fietsende kaboutertje misschien verstoren. Dus bleef ik heel zen stil zitten.

Sandra Kruijt

Boerka bananasplit

Ik snap ook niet waarom, maar toch denk ik na over de boerka. Niet dat ik het echt bewust wil, maar het schiet gewoon in mijn pet.

‘Hoe zou ik mij voelen met mijn boerka aan’, daar kan ik dan zo over mijmeren. Ik mag toch wel aannemen dat het mijn boerka is. Vroeger in de advocatuur deelden we 1 toga tussen 2 advocaten.  Misschien gaat dat ook zo bij de boerka. “Buurvrouw, ik ga boodschapen doen, kan ik de Boerka aan?”. Best handig, een portiekboerka of een buurtboerka. 

En laatst hoorde ik dat, wat ik een boerka noem, helemaal geen boerka is. Maar een nikaab. Een ‘nikaab’ klinkt mooi. Een exotisch mooi woord. Daar wil ik best in lopen. Maar ja, hoe dom kun je zijn om dat te zeggen? Sorry hoor, ik vind het gewoon een mooi woord.

Trouwens, ik denk dat het nikaab en boerka gebeuren net zoiets is als ons Indische stokje sate. Alle gewone mensen die niet beter kunnen weten zeggen ‘sateeee’. Terwijl de echte diehards, ermee geboren en getogen Indonesische mensen ‘SAHteh’ zeggen. Gewoon om even je roots en je tanden te laten zien.  Je zal zien, langzaam verwatert de echte nikaab naar een – over een kam geschoren – boerka. Ik ben voor, want boerka babes vind ik leuk klinken en van dat boekje rolde ik bijna van de bank van het lachen.

Nou goed, over die boerka heb ik dus verschillende gedachten. Ik denk dat de boerka het slechtste in mij naar boven zou halen. Zoiets van hoe je vroeger achterin de klas ging zitten. Die plek deed iets met je. Je ging gewoon klieren of je nou wou of niet. Je kon er niets aan doen. Het lag aan de plek.

Zo’n soort uitwerking zou, denk ik, de boerka op mij hebben. De ene dag zou ik overal waar ook maar onopvallend plek is onder de zwarte stof, een enorme batterij aan rammelende potten en pannen binden, klok en klepels en alles wat verder lawaai maakt.

Al rinkelend en kinkelend zou ik over straat gaan lopen. Met mijn gezicht keurig in de plooi. Als mijn gezicht niet bedekt zou zijn door de boerka of de nikaab, zou het onbedekte gezicht in de stand staan van zo’n schijnheilige bakkes “huh, ik doe niets”.

Ik zou ongelofelijk veel moeite hebben om mijn lachen in te houden, maar ik zou echt mijn uiterste best doen. Al die voorbijgangers verwachten natuurlijk zo’n onopvallend keurige boerka mevrouw. Ze hebben geen idee wat ze overkomt. Waar komt in hemelsnaam dat lawaai vandaan?! Nou, dan zou ik bijna bezwijken van het lachen.

De andere dag zou ik juist niets aan doen onder mijn boerka. Onopvallend bij de bushalte gaan staan en, nog steeds onopvallend, mijn zoom van mijn boerka controleren. Kijken of het naaiwerk aan de onderkant nog wel steek houdt. Zeer onopvallend zou ik heel toevallig de boerkastof tot ver boven mijn knie en hoger controleren op loszittende steekjes. “Huh, ik doe toch niets?”, als net genoeg maar ook weer niet teveel mensen het gezien zouden hebben.

Niet dat ik ooit het verlangen heb (gehad) mijn gestikte naadje op straat te laten zien. Maar die boerka haalt gewoon dat deel van mij naar boven.

Geestdodend voor vrouw, de boerka? Juist heel inspirerend!

Sandra Kruijt

De koning onder de koninginnen

Nou heb ik toch wel wat stevige stukjes geplaatst over mannen en vrouwen. Begrijp me niet verkeerd: ik ben gek op de man. Ik vind ze prachtig. Prachtig gemaakt. Prachtig gebouwd. Prachtig materiaal, ruwe pit, blanke bolster of omgekeerd. Prachtig grappig. Veel grappiger dan ik ooit kan zijn. Prachtig, snedig, snel, adrem, zo vind ik mannen, in ieder geval mijn man. Daarom vandaag mijn ode aan de man.

Voor de mannen die ik blijvend afgeschrikt heb, met mijn rare praatjes: toedeloe. Voor de anderen mannen: fijn dat jullie er nog zijn. Voor de vrouwen: no worries. Ik ben gek op mannen, maar het meest op mijn eigen man. Daarom vandaag de kleine doch, oh zo, belangrijke overpeinzing: de man is de koning onder de koninginnen.

Van de man leerde ik dat er zonder humor geen bal aan is. Van de man leerde ik dat verbeten vrouwen best lelijk zijn om naar te kijken. Van de man leerde ik relativeren als ik dat vermogen even kwijt was. Ik vind zelf overigens dat ik steeds beter leer relativeren. Dus ik ben dankbaar voor die les.

Van de man leerde ik dat zij, net als wij, hun stinkende best doen om het ons en de mensen waar zij zich verantwoordelijk voor voelen gelukkig te maken. Van de man leerde ik dat zij niets liever willen dan de mensen om hen heen gelukkig zien. Van de man leerde ik dat je je soms van niemand iets aan moet trekken. Van de man leerde ik dat je jezelf voorop gelukkig moet maken.

De man is voor mij de koning onder de koninginnen. Daarom drink ik op Koninginnedag op de man! Ik hoop dat ik er niet van ga lallen. Cheers! Proost! Sante! Slaun che (slainte)!

Sandra Kruijt

Groot

Mannen willen alles groot. Op jonge leeftijd pakken ze er al hun meetlat bij.

Later moet het allemaal groot en lang en meer. Grote bedrijven, veel, nog meer mensen in dienst, nog belangrijker. Zouden ze later ook de stapels personeelsdossiers opmeten? Of de getallen op de bankrekening? Zelfs als die in het rood staan, omdat ze ook nog een grote auto willen meten?

Voor mij is dat anders. Ik wil het samenhangend goed. Wilt u nu het emmertje?

Ik niet. Voor mij is het belangrijk dat ik goed werk, goed leef, goed boer, goed mens, goed moeder. Veel van goed is voor mij belangrijk.

Maar omdat ik maar een kleintje heb (mijn stapeltje personeelsdossier is verwaarloosbaar), wil dat niet zeggen dat ik maar een prutsertje ben.

Maar het duurt lang (niet in centimeters, maar in tijd) voor een man dat kan inzien.  

Sandra Kruijt

Het perfecte paar meelopers

Een grote vriend, marketinggoeroe, las mijn weblog en zei: wel waar wat je schrijft, maar wie zal jou weblog nou lezen? Ok, dacht ik. Inmiddels was ik al blij met mijn vaste lezer(s). Al is het er maar een, dan nog ben ik vereerd.

De grote vriend is ook marketinggoeroe van een groot Nederlands kledingbedrijf. Een vrouwelijke kledinggoeroe (ook wel genaamd: ‘diva’) geeft daar adviezen aan het grote publiek. Een tijdje geleden schijnt zij gezegd te hebben dat iedere vrouw een paar korte laarsjes moet hebben (die van € 49,00, dáár te koop). En nou zie ik ze overal lopen. Of eigenlijk zie ik tegenwoordig eerst de laarsjes en dan de vrouw. Een perfect paar om mee te lopen.

Een geslaagd marketinggebeuren zou je kunnen zeggen. En ik? Ik ben alleen maar blij dat ik niet in communistisch China van weleer woon. Die laarsjes overal doen me denken aan die pakjes van toen. Kennelijk hou ik niet zo van dat soort dingen, wel van die ene gewaardeerde lezer van mijn weblog :-)

Thanks voor het lezen van mijn gedachtenspinsels!

Sandra Kruijt

Waarom krijgen zij alle mooie woorden?

In het verleden schreef ik al over de ‘muze’. Het stukje wordt trouwens veel gelezen.

En nu wilde ik een stukje schrijven over de ‘goeroe’. Een vriend van ons is marketinggoeroe en daar had ik een mooi stukje over bedacht. In datzelfde stukje zou ook een vrouwelijke goeroe voorkomen. En toen realiseerde ik mij iets.

Boos, ontevreden gezicht, armen over elkaar, zwart rookpluimpje dat boven mijn hoofd opstijgt.  Waarom krijgen zij alle mooie woorden?

Mannen krijgen de mooie woorden en dan krijgen wij ze niet meer. Een vrouwelijke goeroe. Hoort u het wel eens?

En als het al gezegd zou worden, staan alle vrouwen in hun vuistjes te gniffelen. “Ho, ho, moet je dat nou horen. Die noemt zichzelf een goeroe of die of die wordt een goeroe genoemd. Nou ja, zeg! Zal ik jou eens wat vertellen….”. En dan komt het, hoor. Zet je schrap. Dat is het vrouwelijk venijn dat dan volgt.

Dus wij vrouwen noemen onszelf geen goeroe (maar dat zou een man van zichzelf ook niet zeggen, geloof ik. Dat is echt een woord dat anderen over jou moeten zeggen) en een andere vrouw noemen we al helemaal geen goeroe. Nee, die noemen we ervaringsdeskundige. Mag ik een emmertje?

Boos, ontevreden gezicht, korte stapjes van ergernis in mijn werkkamer, zwart donderwolkje boven mijn hoofd: ik wil ook een mooi woord!

En dat verhaal? Dat vertel ik niet meer. 

Sandra Kruijt

Wat mannen van vrouwen kunnen leren

Er zijn veel dingen die we over een weer van elkaar kunnen leren. Mannen van vrouwen. Vrouwen van mannen. Een van de dingen die mannen van vrouwen kunnen leren, is eindeloos voor de spiegel oefenen en kritisch kijken.

Het woord ‘rokjesdag’ mag dan een mannelijk bedenksel zijn, rond rokjesdag gebeurt er iets heel vrouwelijks voor de spiegel. ‘Hoe gaat het met dit rokje’, vraagt een vrouw voor de spiegel zich dan af.

‘Is dit rokje te kort of te lang of juist lang genoeg?’, ‘Van voren, van achteren?’, ‘Hoe gaat het met dit rokje als ik ga zitten?’, ‘Met wijde benen, met gekruiste benen, met kuise benen naast elkaar?’

‘Hoe zit dit rokje met ingehouden buik?’ en ‘Hoe, als ik mijn buik laat hangen?’ en ‘Hoe zit dit rokje met uitpuilende buik dan van achteren?’ en ‘Van die kant en van zover als ik het kan zien, van de andere kant?’

Ook belangrijk: ‘Hoe ziet dit rokje eruit als ik iets van de grond oppak?’, ‘Wijdbeens, met gekruiste benen, met kuise benen naast elkaar?’ of ‘Kan ik met dit rokje aan beter net doen of ik niet door heb dat ik iets laat vallen?’ Liever iemand die mij achterna komt rennen dan dat ik het oppak als ik dit rokje aan heb.

Doorstaat het rokje de test niet, dan begint de hele riedel opnieuw. ‘Hoe zit het eigenlijk met dat rokje?’ Dat gaat dat andere rokje aan en dan komen al die vragen weer voorbij. Net zolang tot de conclusie is: ‘Dit rokje is prima. Met dit andere rokje aan, kan ik zelfs iets van de grond oprapen, mocht ik bijvoorbeeld bij die zakelijke bijeenkomst een visitekaartje of snotlap of wat dan ook laten vallen.’  

Dan weet ik dat alles en komt het beslissende moment: ‘Welk rokje doe ik aan?’ Als vrouw kan ik met de vraag: ‘Hoe gaat het met mijn rokje’ dus wel een tijdje voor de spiegel doorbrengen. Ik zal niet de enige zijn.  

Terug naar het begin. Het gaat namelijk niet om mijn rokje, maar om wat mannen van vrouwen kunnen leren.

Ik stel voor dat mannen die gaan racefietsen hun wielrenbroek aan deze rokjesproef onderwerpen. Zo, dat heb je maar mooi van mij geleerd!

Maar voordat ze deze wielrenbroekproef gaan doen, moeten ze even kritisch nagaan: ‘Hoe lang heb ik deze racebroek al?’ en ‘Was ik hem iedere keer dat ik gefietst heb?’. Laat daar een mannelijk x*(y-z) wiskundige definitie op los en je hebt zo ongeveer wat ik bedoel, te pakken. Kun je misschien beter eerst met de auto (!) naar de winkel een nieuwe racefietsbroek kopen en pas daarna met je racefietsmaat afspreken.

Ik heb het (on)geluk dat we in een recreatiegebied wonen. En daar komen nu, rond rokjesdag, heel veel racefietsers voorbij. Ze hebben hun wielrenbroek weer uit de kast gehaald en daar gaan ze, ook dit jaar, weer. En ik? Ik voel mij in mijn recreatiegebiedje een gezegend mens, tot ik weer zo’n racefietser voorbij zie komen. Ik kijk namelijk recht de bilnaad in. Versleten stof, lichtdoorlatende leegte waar de bilnaad zit. Als ik interesse zou hebben, zou ik van menig man zijn bilnaad kunnen natekenen. 

Ik ben niet zo bilnaderig. Ik vind het rare dingen van mensen die ik helemaal niet ken, vaak met twee dikke overbollende bollen die aan weerszijden van het zadel rondbobbelen. Soms is de stof zo dun geworden dat de bilnaadbeharing erdoorheen prikt, althans in ieder geval in mijn beleving. En dat vind ik dus geen fijn gezicht. Aan de voorkant zit hij druk te kletsen met zijn beste vriend, leuk samen wielrennen en ze hebben weer een geweldige tijd. Aan de achterkant zit ik met de gebakken peren.  

Als ik man zou zijn, zou ik mijn rokjesproef voor de spiegel doen. Gewoon wijdbeens van achteren voor de spiegel gaan staan en je hoofd tussen je benen naar beneden laten hangen. Zie je – als je dan tussen je benen door de spiegel inkijkt – precies wat ik zie als jij op de fiets zit.

Als ik producent van wielren kleding zou zijn, zou ik die bilnaad versieren. Met zo’n gezellig strookje precies op de bilnaad gestikt. Verschillende motieven, verschillende kleuren, voor de moderne man, voor de conservatieve man, voor de man die het niets kan schelen. Of voor de vrouw die achter de man aanfietst: een bloemetjesmotief. Maar dat is misschien iets te vrouwelijk gedacht.  

Sandra Kruijt

Stoeptegels

De Elsevier van deze week laat me niet los. Mijn hersenen zijn kennelijk nog niet klaar met dat artikel ‘wat mannen hun vrouwen niet vertellen’. Ook ik heb geen macht over mijn herseninstincten en zo denk ik er steeds weer nieuwe dingen over. Toch ben ik in de contramine en ga ik het artikel niet meer nalezen.

Ik wil ook wetenschappelijk onderzocht worden. Simpele, kinderachtige jaloezie op die wetenschappelijk onderzochte mannen. Wat ze denken, waar ze naar kijken en wat ze zeggen.
Ik wil ook een onderzoek :-( , een wetenschappelijk onderzoek waar vrouwen naar kijken op straat (stoeptegels, natuurlijk :-) ).

Sandra Kruijt

Oudere berichten »
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 642 other followers